1. Controleer je websitebestanden
Een statische website bestaat meestal uit HTML, CSS, afbeeldingen en eventueel JavaScript. Zet de bestanden in een overzichtelijke map. De startpagina heet doorgaans index.html. Controleer of de verwijzingen naar je stylesheet en afbeeldingen kloppen.
mijn-website/
├── index.html
├── styles.css
└── afbeeldingen/
└── logo.pngGebruik bij voorkeur relatieve paden, zoals styles.css en afbeeldingen/logo.png. Bestandsnamen zijn op veel servers hoofdlettergevoelig.
2. Kies een plek om je bestanden te publiceren
Je hebt hosting nodig die statische bestanden kan aanbieden. Bij een regulier hostingpakket kun je vaak uploaden via een bestandsbeheerder of SFTP. Sommige platforms publiceren rechtstreeks vanuit een code-repository. Controleer vooraf hoe je een eigen domeinnaam koppelt.
Gebruik je WordPress? Dan is de publicatiestap anders: je installeert WordPress op geschikte hosting en beheert pagina’s via het dashboard. Lees daarvoor de WordPress-handleiding.
3. Upload de bestanden naar de juiste map
Log in op het beheerpaneel van je hosting. Zoek de documentroot van je domein, bijvoorbeeld public_html of een andere map die de host aangeeft. Upload de inhoud van je websitemap, zodat index.html direct in de documentroot staat.
Staat je startpagina per ongeluk in public_html/mijn-website/index.html? Dan verschijnt de site mogelijk alleen onder /mijn-website/, niet op je hoofddomein. De exacte mapnaam verschilt per host.
Gebruik voor bestandsoverdracht bij voorkeur SFTP of een beveiligde bestandsbeheerder. Vermijd onbeveiligde FTP als een veilig alternatief beschikbaar is.
4. Koppel je domeinnaam via DNS
Je domeinnaam moet naar de juiste hosting verwijzen. Je host geeft aan welke nameservers of DNS-records nodig zijn. Een A-record wijst bijvoorbeeld naar een IPv4-adres; een CNAME kan een subdomein naar een andere hostnaam verwijzen.
Wijzig alleen de records die nodig zijn. Bestaande e-mailrecords, zoals MX, SPF, DKIM en DMARC, kunnen belangrijk zijn voor je e-mail. DNS-wijzigingen zijn niet altijd direct overal zichtbaar. Meer achtergrond vind je bij domeinnamen en webhosting.
5. Activeer en controleer HTTPS
Een beveiligde verbinding via HTTPS hoort bij een moderne website. Veel hosts bieden automatische TLS-certificaten aan. Controleer of zowel je domein met als zonder www goed werkt en of bezoekers automatisch op de gewenste HTTPS-versie uitkomen.
Een slotje of HTTPS betekent dat de verbinding versleuteld is, niet dat alle inhoud of software automatisch veilig is. Meer hierover lees je in website beveiligen.
6. Test de gepubliceerde website
Open de website op je computer én telefoon. Klik op alle belangrijke links en controleer afbeeldingen, formulieren, menu’s en de opmaak. Probeer ook een niet-bestaande pagina om te zien hoe je hosting daarmee omgaat.
- Laadt de startpagina zonder extra mapnaam in het adres?
- Werken interne links en afbeeldingen?
- Is de site leesbaar op mobiel?
- Werkt HTTPS zonder waarschuwingen?
- Staan er geen testbestanden of wachtwoorden openbaar?
- Is er een back-up van de bestanden?
Veelvoorkomende problemen bij publiceren
Zie je een standaardpagina van de hosting? Dan staan de bestanden mogelijk in de verkeerde map of is de domeinkoppeling nog niet actief. Ontbreekt de opmaak, controleer dan het pad naar styles.css.
Mijn website geeft een 404-fout. Wat nu?
Controleer of de URL en bestandsnaam kloppen, inclusief hoofdletters. Kijk ook of index.html op de verwachte plek staat.
Mijn oude website blijft zichtbaar.
Controleer DNS, browsercache en eventuele servercache. Wis niet zomaar bestanden voordat je een back-up hebt gemaakt.
Moet ik mijn site aanmelden bij Google?
Een publieke website kan via links worden ontdekt. Een sitemap en Google Search Console kunnen helpen om de indexering te volgen, maar garanderen geen vermelding of positie.